Drie keer op één ochtend, dat deed voor haar de deur dicht. Al lag de vijver nog zo aanlokkelijk te schitteren in de zon, en weerspiegelde het zacht golvende water speels de vrolijk gekleurde kantoorgebouwen, het gevoel van geluk en trots waarmee Ana altijd naar haar thuishaven keek was verdwenen. Ze stond aan de kant. Letterlijk. Of eigenlijk: op de kant, en ze kon het water niet meer in.
En dan te bedenken dat ze zich zo op de zomer had verheugd: haar kinderen op eigen wieken – haar derde nest alweer -, de onrustige hofmakerij in de herfst nog ver weg, lekker samen met de anderen drijven en zwemmen in hun vertrouwde vijver. Waar zij (dat wist ze maar al te goed) de ster was met haar prachtige witte verenkleed. Geliefd bij de andere eenden en bij de kantoormensen die naar buiten kwamen om bij het water hun boterhammen op te eten, en haar regelmatig stukjes voerden. Een gelukkig eendenleven.
Tot die kwade dag, enkele weken geleden, waarop zich een nieuwe vijverbewoner had gemeld. De grote, gitzwarte meerkoet had dreigend rondgekeken, met die rode ogen aan weerszijden van een witte bles, en na een korte verkenning van de vijver stond voor haar vast dat zij hier de meesteres zou zijn. En dat die witte eend het veld moest ruimen, hup, het water uit. Vanaf dat moment had Ana geen rustig moment meer gekend. Maar vandaag tot drie keer toe het water uitgejaagd worden was wel het dieptepunt. Ze wist wat ze ging doen. Nog één keer strekte ze zich in haar volle lengte uit, klapperde met haar verblindend witte vleugels, en snaterde een afscheidsgroet. Toen draaide ze zich om en waggelde weg in de richting van de kleurige kantoorgebouwen. Op zoek naar een nieuw thuis, een nieuw ‘samen’, zoals dat onder eenden heet.
(meer…)