Als Marianne vanaf de overkant aan komt lopen, ziet ze Gerard al zitten, aan een tafeltje bij het raam. Hun vaste tafeltje, in hun stamcafé – al doet die benaming misschien geen recht aan het chique Grand Café Curnonsky, dat met trotse letters aan de gevel kond doet van zijn oprichting in 1876. Zelfs van een afstandje ziet ze hoe zijn schouders hangen in zijn nette colbert, hoe hij niet naar haar uitkijkt maar met gebogen hoofd zit af te wachten. Marianne weet meteen: het is hem niet gelukt, vanmiddag. Ze houdt haar pas even in, en voelt hoe dat besef haar hoopvolle gedachten wegvaagt (gek eigenlijk, hoe lang je kunt blijven hopen, zelfs tegen beter weten in) en zich om haar schouders nestelt als een loodzware mantel. Marianne zucht, aarzelt zelfs even of ze naar binnen zal gaan. Want ook zij komt met lege handen, en het liefst zou ze Gerard de dubbele last besparen die ze nu zelf ervaart, als brenger en ontvanger van slecht nieuws.
            Het was met enige schroom dat ze hun oude vriend Peter had benaderd. Of ze eens bij hem op kantoor langs kon komen. Zijn hartelijke reactie – maar natuurlijk Marianne, ik kijk ernaar uit – had haar twijfels tijdelijk weggenomen, maar de uitkomst van het gesprek bevestigde haar diepe overtuiging die ze omwille van hun lastige situatie opzij had gezet. Vriendschap en zaken moet je gescheiden houden. Marianne weet niet wat ze uiteindelijk erger vindt: haar gêne omdat ze gebedeld heeft om een baan ver onder haar niveau, Peters zichtbare ongemak (‘ik kan jou toch niet vragen om een briefje voor me te tikken’), of hoe ze dit aan Gerard moet uitleggen (die ze had voorgespiegeld dat de zaak al min of meer in kannen en kruiken was). Ze ziet zichzelf in de imposante raampartij van Curnonsky. Opgedoft en wel. Met haar bontjas. En haar parels. En die onmogelijke pumps – ze is het ontwend om op hoge hakken te lopen. All dressed up and no place to gomaar kom op Marianne, denkt ze, zelfmedelijden helpt je geen stap verder. Bovendien wordt er wel degelijk op haar gewacht. Door haar lieve man. Vooruit, denkt ze, en gaat door de glazen draaideur het grand café binnen.
            Met hartelijke wellevendheid wordt ze begroet door hun vaste ober. ‘Welkom mevrouw, wat fijn dat u er bent.’
            Wat zijn goede manieren toch een groot goed, denkt Marianne. Geen opmerkingen (‘Wat hebben we u lang niet gezien’), geen vragen (‘Waar bent u al die tijd geweest’), geen oordelende blikken (‘Die jas heeft zijn beste tijd wel gehad, en dan die schoenen van meneer…’). Dankbaar zegt ze: `Dat vind ik ook, Victor.’
            ‘Meneer zit er al, aan uw vaste tafel. Mag ik uw jas aannemen?’
            Maandenlang is ze hier niet geweest, maar als Marianne over de marmeren plavuizen naar Gerard toe loopt, voelt het vooral heel vertrouwd. Onze plek, denkt ze. Hier troffen we elkaar elke vrijdag, om samen de werkweek af te sluiten en het weekend in te luiden. Onder deze kroonluchters vierden we onze trouwdag met champagne en canapés met zalm en kaviaar, toostten we op onze successen. Deze verweerde spiegels weerkaatsten onze lachende gezichten en vervaagden onze opkomende rimpels. Ja, dit is onze plek, denkt ze nogmaals, en stelt zichzelf de vraag die het discrete personeel niet gesteld heeft: waarom zijn we hier zo lang weggebleven? Het antwoord weet ze natuurlijk, dat staat geschreven op Gerards gebogen rug in dat licht sleetse jasje, en klauwt als een vals circusaapje in haar schouders. Het geld is op. Weg. Verdwenen. Foetsie.
            ‘Dag lief. Ik heb je favoriete drankje al voor je besteld.’ Gerard probeert opgewekt te klinken. `Je ziet er prachtig uit. Je hebt zelfs je geluksparels om.’ Hij vraagt niet: hoe was het bij Peter?
            Marianne kan het niet over haar hart verkrijgen om hem langer in onzekerheid te laten. ‘Dank je wel schat. En je krijgt de hartelijke groeten van Peter. Hij leeft erg met ons mee.’ Ze ontwijkt Gerards verwachtingsvolle blik. ‘Maar die baan, dat was helaas een misverstand. Bij nader inzien zoeken ze eerder een jong meisje. Die het vak in de praktijk kan leren, en nu kan beginnen met kleine klusjes. Dus helaas…’
            Gerard zoekt nog een laatste strohalm: `Maar hij kent je zo goed, zag hij dan geen andere mogelijkheden?’
            Ze schudt haar hoofd. `Nee, lieverd. Hij wenste ons nog veel succes. En dat was het.’ Ze kijkt hem niet aan. En nu door de zure appel heen, denkt ze. `En jij? Wat vonden ze van je plannen?’
            Gerard schraapt zijn keel. ‘Blijkbaar was er een calamiteit waar de directeur zelf op af moest. Ik hoorde ze iets zeggen over een grote opdrachtgever die zich had teruggetrokken. Hoe dan ook, het hoofd van de ontwerpafdeling heeft wel naar mijn tekeningen gekeken. Gedegen, zei hij. Maar niet wat ze zochten.’ Hij kijkt zijdeling naar Marianne, die op haar beurt geconcentreerd naar haar glas kijkt. Ze zwijgen.
            Gedegen…Gerard hoort het nog naklinken… en gedateerd. Die laatste woorden waren het hardst aangekomen. Alsof er definitief een deur dichtsloeg, met een zware dreun. En hij buiten in de kou stond. Dat oordeel, niet eens onvriendelijk gebracht – eerder als neutrale constatering – maakte in een klap een einde aan zijn zorgvuldig geconstrueerde wereldbeeld. Waarin de aanhouder uiteindelijk wint. Als je maar volhoudt. Als je maar doorgaat. Stug doorgaat. Elke dag opnieuw. En waarin kwaliteit de doorslag geeft. Goede ontwerpers zijn immers altijd nodig. En Gerard had nooit getwijfeld aan zijn kwaliteiten.
            Die overtuiging, en zijn volhardende aard, hadden hem het afgelopen jaar op de been gehouden. Hij werd nergens voor gevraagd, en op zijn brieven of telefoontjes kreeg hij sporadisch antwoord. Maar hij bleef tekenen en ontwerpen. Om niet de hele dag samen met Marianne in hun nu zo stille kantoor-aan-huis te zitten, ging hij, onder het mom van een zakelijke afspraak, regelmatig de deur uit. Dan dwaalde hij door de stad, dronk een kop koffie in een café (waarbij hij Curnonsky stelselmatig meed), of zat zomaar op een bankje in het park. Bij thuiskomst hield hij zijn verhalen vaag, met een positieve ondertoon: men wilde er nog even over denken, maar zijn ontwerp was goed gevallen. En als Marianne dan opleefde, als hij haar hoorde lachen, dan was zijn dag weer goed. Want hij wist hoe zij, meer nog dan hijzelf, leed onder het gedwongen afwachten, onder de stille uren in hun ontwerpstudio waar het vroeger gonsde van de gesprekken. Zij stond altijd de klanten te woord, hij was de creatieve kracht op de achtergrond. Dat maakte hen een ijzersterk duo. Grimm&Thieme architecten, dat staat als een huis, jaja. Tot de crisis kwam. En hun ooit zo solide onderneming steeds verder wegzakte. Marianne had haar trots, maar hij zag hoe ze haar hoofd iedere dag iets meer liet hangen. Haar chique mantelpakjes bleven in de kast, en haar parelsnoer zag hij vandaag weer voor het eerst in maanden.

Elkaar vandaag in Curnonsky treffen was Gerards idee geweest. Bijna uit bijgeloof, alsof hij het geluk wilde afdwingen. Want allebei een veelbelovende afspraak op dezelfde dag, na zoveel afwijzingen en dichte deuren, had hij gedacht, dat moet toch wel een positief teken zijn. Waar zouden ze dat beter kunnen vieren dan hier, aan hun vertrouwde tafeltje aan het raam? En stel – dit durfde hij bijna niet te denken – dat het niet goed zou uitpakken voor een van hen, dan is er toch geen troostrijkere plek dan deze. Maar nu de gehoopte dubbelslag een dubbele dreun blijkt, merkt Gerard dat de grond onder zijn voeten wegzakt. Hij slikt. En verzamelt moed. ‘Marianne, ik… Ik kan niet meer.’ Het hoge woord is eruit.
            Marianne zit met haar hoofd in haar handen, en kijkt hem niet aan. Haar blik houdt ze strak op de tafel gericht. Ze ziet uitgebeten kringen in het houten tafelblad, dat was haar nooit eerder opgevallen. En van de kristallen asbak is een hoekje afgebroken. Niets is immuun voor de tand des tijds, zelfs hier niet. Maar hoe ingespannen ze ook naar beneden kijkt, hoezeer ze vermijdt om hem aan te kijken, ze kan zich niet voor Gerards woorden afsluiten. Ik kan niet meer. Dat ene zinnetje treft haar als een mokerslag. Niet dat het als een verrassing komt dat hij dit nu zegt. Integendeel, de laatste weken hing de vrees voor die woorden als een zwarte wolk boven haar hoofd. Uit alle macht heeft ze geprobeerd om de moed erin te houden, opgewekt te blijven, al was het maar voor Gerard. Tevergeefs, denkt ze. Ik heb gefaald. Marianne duikt in elkaar en rilt. Ze heeft het koud. En ze is moe, zo verschrikkelijk moe.       
‘Marianne?’ Gerards stem klinkt bang – bang en bezorgd.
            Ze tilt haar hoofd op, en kijkt hem aan. ‘Die ene keer…’. Ze voelt haar tranen branden. ‘Je had een belangrijke afspraak. En toen je net de deur uit was, zag ik dat je je tekenmap was vergeten. Dus toen ben ik je snel achterna gelopen, met de map. Maar je liep niet richting centrum, je ging naar het park.’ Marianne slikt. ‘Ik ben je van een afstandje gevolgd. En daar zat je, op dat bankje. Met je nette pak en je aktetas vol papieren. Na een poosje ben ik terug naar huis gelopen.’ Ze schudt zachtjes haar hoofd bij de herinnering. ‘Toen je thuiskwam, hield ik mijn mond. Omdat ik het zo pijnlijk vond. Maar ook omdat ik begreep waarom je het deed. Je deed het voor mij, voor ons. Om de moed erin te houden. Om mij te sparen.’ Inmiddels stromen de tranen over haar wangen. `En ik deed hetzelfde. De schijn ophouden. Daarom heb ik het niet gezegd. Dat ik al wist dat het niets zou worden bij Peter, dat hij geen baan voor me had. Ik wilde dat je erin geloofde, vanmiddag. In jouw kans. En in die van mij.’ Marianne houdt uitgeput haar mond. Ze voelt zich helemaal leeg.
            ‘Oh’. Gerard klinkt heel kleintjes. ‘Oh, lief. Ik had geen idee.’
            Zo zitten ze een hele tijd stil aan hun tafeltje, afgesloten van de rest van de gasten in hun cocon van verdriet en verslagenheid. Gerard heeft Mariannes hand gepakt en streelt die. Dan hoort hij een discreet kuchje, en als hij opzij kijkt, ziet hij ober Victor naast hun tafeltje staan. Met een dienblad met een fles Veuve Cliquot en twee champagnecoupes.
            ‘Meneer en mevrouw, mag ik u deze fles aanbieden namens het huis? Als teken van onze waardering voor u als trouwe klanten. Omdat we blij zijn dat u er weer bent.’ 
            Enigszins verdwaasd kijken Marianne en Gerard naar Victor.  ‘Wat een verrassing, Victor’, zegt Marianne. ‘En zo attent. Ja, dat accepteren we heel graag.’
            Ze heffen de glazen. In de laatste middagzon sprankelen de champagnebelletjes. ‘Op ons.’

Dit verhaal is verschenen in de bundel Toen, daar – de oogst van de cursus de Kunst van het Schrijven 2021, onder begeleiding van Manon Uphoff en Iris van Vliet.

Categorieën: Verhaal