Verhaal met veren

Dit verhaal is de ‘meesterproef’ voor de cursus Editio II.

 

Drie keer op één ochtend, dat deed voor haar de deur dicht.  Al lag de vijver nog zo aanlokkelijk te schitteren in de zon, en weerspiegelde het zacht golvende water speels de vrolijk gekleurde kantoorgebouwen, het gevoel van geluk en trots waarmee Ana altijd naar haar thuishaven keek was verdwenen. Ze stond aan de kant. Letterlijk. Of eigenlijk: op de kant, en ze kon het water niet meer in.
En dan te bedenken dat ze zich zo op de zomer had verheugd: haar kinderen op eigen wieken – haar derde nest alweer -, de onrustige hofmakerij in de herfst nog ver weg, lekker samen met de anderen drijven en zwemmen in hun vertrouwde vijver. Waar zij (dat wist ze maar al te goed) de ster was met haar prachtige witte verenkleed.  Geliefd bij de andere eenden en bij de kantoormensen die naar buiten kwamen om bij het water hun boterhammen op te eten, en haar regelmatig stukjes voerden. Een gelukkig eendenleven.
Tot die kwade dag, enkele weken geleden,  waarop zich een nieuwe vijverbewoner had gemeld.  De grote, gitzwarte meerkoet had dreigend rondgekeken, met die rode ogen aan weerszijden van een witte bles, en na een korte verkenning van de vijver stond voor haar vast dat zij hier de meesteres zou zijn. En dat die witte eend het veld moest ruimen, hup, het water uit. Vanaf dat moment had Ana geen rustig moment meer gekend. Maar vandaag tot drie keer toe het water uitgejaagd worden was wel het dieptepunt.  Ze wist wat ze ging doen. Nog één keer strekte ze zich in haar volle lengte uit, klapperde met haar verblindend witte vleugels, en snaterde een afscheidsgroet. Toen draaide ze zich om en waggelde weg in de richting van de kleurige kantoorgebouwen. Op zoek naar een nieuw thuis, een nieuw ‘samen’, zoals dat onder eenden heet.  

 

In de koffiehoek op de vierde verdieping rondde het groepje collega’s hun overleg af. ‘Mooi, dan gaan we het zo doen.’  Tevreden pakte iedereen zijn spullen bij elkaar .’Wat zijn we lekker opgeschoten, hè?’, vroeg Lise aan mede-adviseur Peter. Die hoorde haar niet, want zijn volle aandacht ging uit naar de vrouw die nu bij het raam naar buiten stond te kijken.  En wat een vrouw! Precies zijn type, rossig, slank maar niet tè, in die stralend witte zomerjurk…rustig, tikje mysterieus…  Lise volgde zijn blik. ‘Goede inbreng had ze, weet jij van welke afdeling ze is?’ Hij schrok op. Wat ze precies gezegd had wist hij niet eens meer, maar wel dat alles ineens logisch leek, dat het ene idee uit het andere voortvloeide… ‘We boffen maar dat ze kon aanschuiven, toch, Peet? Hoe heette ze ook alweer?’  ‘Ana,’ zei hij terwijl hij haar witte gestalte nakeek. ‘Ze heet Ana.’

 Aldus maakte Ana haar entree in het kantoorleven zoals zich dat afspeelde in de hoofdvestiging van Menkander, de verzekeraar. En hoewel de wereld van de mens, en zeker die van de werkende mens, nieuw voor haar was, redde ze zich eigenlijk uitstekend. Het gebouw zelf hielp zeker mee, want dat voelde vertrouwder dan ze had verwacht. Het was er licht en ruim, met grote ramen die uitkeken op haar ooit zo geliefde vijver. Met glimmende vloeren die zo spiegelden dat Ana zich voelde alsof ze over het water gleed als ze door de lange gangen liep. En zo bewoog ze zich soepel door kantoortuinen en overlegpleinen,  en zocht aansluiting bij de groepjes die overal bezig waren met discussiëren en plannen maken.  Ook dat ging haar verrassend goed af, want Ana voelde feilloos aan waar haar aanwezigheid op prijs werd gesteld.  Zelf was ze het liefst bij de jonge mensen, die vol vuur spraken over ‘stippen aan de horizon’ waar ze samen heen wilden. En al begreep ze niet precies wat er bedoeld werd (de enige stip aan de horizon die Ana zelf kende was de rode avondzon), tijdens die gesprekken voelde ze zich gelukkig. En dat gold ook voor haar gesprekspartners, zoals we al hebben gehoord. Ana’s schoonheid en bijzondere uitstraling maakten op iedereen een diepe indruk, en in haar aanwezigheid verliep alles vloeiend, zonder ook maar één wanklank. 
En toch. Aan het einde van ieder overleg, van iedere ontmoeting, ging iedereen weer haastig uit elkaar, en bleef Ana tot haar spijt alleen achter. ‘Samen’ was blijkbaar tijdelijker dan zij dacht. Ook kreeg ze een steeds beter oor voor wat niet uitgesproken werd, de onderlinge wrevel, onenigheid, concurrentiestrijd. Daarin leek het hierbinnen misschien meer op de vijver dan haar lief was. Maar Ana gaf het niet op.

 Weken gingen voorbij. Buiten werden de dagen alweer korter, binnen duurden de werkdagen steeds langer. De medewerkers zuchtten onder de torenhoge vernieuwingsambities, en toen de slogan van het bedrijf werd onthuld ( Menkander, we doen het samen voor de ander), stond Sander, hoofd strategie, voor een pijnlijk lege zaal.  In een naburig café werden cynische grappen gemaakt: Menkander, stort maar in elkander.’ ‘Menkander, doe-t-zelf maar, Sander.’

 ‘Het geeft niet, lief. Geef ze wat tijd, iedereen is moe. Ze begrijpen heus wel dat je het meent, dat het je echt gaat om samen.’  Ana troost Sander. Hij kust haar, en vraagt zich voor de honderdste keer af waar hij haar aan verdiend heeft. Veel verder komt hij niet, want zoals altijd als hij haar in zijn armen houdt, wordt hij overspoeld door een gevoel van geluk. En van trots. Want wat een vrouw!
Een paar weken geleden was ze komen binnenlopen bij een ontbijtsessie die hij had georganiseerd.  Ben ik hier goed voor ‘samen vooruit, nu eerst een beschuit?’ had ze gevraagd, en ineens had hij zich geschaamd voor zijn toch wat knullige woordspeling. Zelf had hij geen hap door zijn keel gekregen, en van de hele sessie kon hij zich achteraf niets anders herinneren dan haar ogen, haar stem, het zonlicht op haar witte jurk. Volgens alle aanwezigen was het een daverend succes geweest, maar voor hem telde alleen dat Ana na afloop was gebleven. En daarna eigenlijk niet meer was weggegaan.
Al waren ze zo discreet mogelijk – want relaties op de werkvloer waren natuurlijk uit den boze –  toch kon het steeds minder mensen ontgaan dat Ana vrijwel altijd op zijn kamer was, hier bovenin het gebouw.  ‘Ons nest’, noemde ze het laatst, en hoewel hij met een grapje had gezegd ‘je lijkt wel broeds’, vond hij het eigenlijk wel passen. Aards en hemels tegelijk, zijn Ana.  Sander zet de herinnering aan de mislukte bijeenkomst van zich af.  ‘Ach Ana, Ik zou nu het liefst samen ergens heen willen vliegen, lekker ver weg…’

 ‘Daar kan voor gezorgd worden,’ klinkt het ijzig vanuit de deuropening. Daar staat een imponerende vrouw, van top tot teen in het zwart, die door haar modieuze rode bril zeer misprijzend op Sander neerkijkt.  Ze geeft hem nauwelijks de tijd om zijn kleren te fatsoeneren, en geeft hem er direct van langs. ‘Dat ik hier orde op zaken moest komen stellen, dat wist ik van te voren. Maar dit slaat alles. Eerst verpruts je de bijeenkomst, daarna was je nergens te vinden toen de pers aan de lijn hing, en nu dit …gevoos, of hoe je het ook noemen wilt. Drie blunders op één dag, dat is teveel van het goede.’ Ze strijkt met ingehoude woede haar witte lok glad, en draait zich abrupt om. ‘Ik verwacht je zo op mijn kantoor.’ Ana heeft ze geen blik waardig gekeurd. 

Sander begint nerveus te praten, stamelt dat dit Fulica is, de nieuwe bestuursvoorzitter, een harde tante, maar dat hij het zal uitleggen…  maar Ana luistert niet. Ze heeft haar kwelgeest onmiddellijk herkend, met haar witte lok en rode bril, en weet hoe dit gaat aflopen. Er kan er maar een winnen, en dat zal Sander niet zijn. En zij? Zij heeft haar portie strijd al gehad. Ze aait Sander nog eenmaal teder over zijn haar, en zwijgt weemoedig als hij vraagt of ze elkaar straks buiten bij de vijver, je weet wel, bij dat bankje, zullen treffen.  

 Sander zit op het bankje bij de vijver, en wacht op Ana. Hoe zal hij het haar vertellen?  Veel geduld heeft ze niet met hem gehad, Fulica. Voor de vorm krijgt hij nog een gesprek met de volledige raad van bestuur, maar het is duidelijk: hij moet gaan uitkijken naar een andere baan. Waar blijft ze nou? In de vijver ziet hij dat de witte eend weer terug is. Ze neemt een uitgebreid bad in het water, klappert met haar verblindend witte vleugels. Van diverse kanten komen de woerden zeer geïnteresseerd aangezwommen. ‘ Dag eendje,’ zegt hij. ‘Vandaag heb ik geen brood voor je.’