Gedicht: Heem-wee

Dit gedicht is gepubliceerd in de bundel Ode aan Slauerhoff, festival Literaire Meesters 2012, Utrecht.

Heem-wee

Langs bordkartonnen gevels loop ik door de bekende straten,
mijn stappen hard en hol in de onwerkelijke stilte.
Geen geluid dringt door tot mijn glazen stolp.
Ik tast in het duister, dool rond in een melkachtige mist.
Hoe zal ik het zeggen – de woorden van vroeger zijn verdwenen
en mijn stomme mond spreekt koeterwaals, geen mens die me kan volgen.

Jullie zichtbaar ongemak draag ik als een loden mantel.
Het beeld van de gelouterde reiziger past mij niet, verwacht geen gloedvolle verhalen
waarin het verre wordt bezongen en het vreemde wordt getemd
om tandeloos  te worden opgedist als een exotisch  souvenir.
Ver en vreemd, zo voel ik mij:
dichtbij en toch verloren bij deze terugkeer die geen thuiskomst is.

Verweesd ben ik – geen vaderstad, geen moedertaal waarin ik wonen kan.
Rechtsomkeert is wat me rest, en met het vonken van mijn hakken
baan ik me een weg, een gloeiend pad door de bleke nacht.
In de cadans van mijn stap groeit gaandewijs een vurig woord,
het stroomt als magma door me heen, lava-taal verteert mijn lippen.
Ik sta in vuur en vlam, en uit mijn lijf verrijst een lied
dat zingt van een thuis aan de grenzeloze horizon.